Ludwig Pesch – interculturele samenwerking door middel van muziek

Ludwig Pesch speelde piano en orgel voor hij muziek en muziekwetenschap ging studeren, eerst in Freiburg (Duitsland). Belangstelling voor hedendaagse en “niet westerse” muziektradities werd de leidraad voor zijn professionele ontwikkeling tijdens zomercursussen (met name beïnvloed door Simha Arom en Manfred Junius). Hij studeerde Zuid-Indiase muziek aan de Kalakshetra kunstacademie in Chennai, waar hij zich specialiseerde in de bamboe dwarsfluit.

Samen met zijn leraar Ramachandra Shastry en als deel van andere ensembles nam hij deel aan concerten en festivals in en buiten India (Europa, Azië en Amerika); en aan ISME World Conferences for Music Education (International Society for Music Education) samen met collega musici en onderzoekers.

“Fluitist Ludwig Pesch speelde de composities en improvisaties met een grote souplesse, maar deed dat met een innemende vanzelfsprekendheid. … een prachtige introductie op muziek die veel bekender zou mogen zijn.” – Recensie door René van Peer (Eindhovens Dagblad)

In samenwerking met twee universiteiten ontwikkelde hij eLearning cursussen (carnaticstudent.org). Hij schreef het handboek The Oxford Illustrated Companion to South Indian Classical Music.

Samen met schooldocenten en ouders bedenkt hij programma’s die elementen uit de Indiase muziek makkelijk toepasbaar maken, met name oor_spel.

Hij is betrokken bij onderzoeksprojecten op het gebied van Indiase muziek en muziekpedagogie zoals “Sam, Reflection, Gathering Together!” (Bern University of the Arts) en tentoonstellingen (o.a. Wereldmuseum Amsterdam).

Online artikelen

Publicaties

“Thinking and learning in South Indian Music” in Integrated Music Education – Challenges of Teaching and Teacher Training by Markus Cslovjecsek, Madeleine Zulauf (eds.)
Peter Lang Publishers, Bern, 2018. 418 pp., 29 fig. b/w, 2 tables
MOUSIKÆ PAIDEIA Music and Education/Musik und Bildung/Musique et Pédagogie. Vol. 1 pb.
ISBN 978-3-0343-0388-0

The Oxford Illustrated Companion to South Indian Classical Music
New Delhi: Oxford University Press (2009) 2nd revised edition ISBN 978019569998X

South Indian music Articles in Encyclopedia of India by Stanley Wolpert, Editor in chief. New York: Macmillan-Scribners-Gale (2005) ISBN 0684313499

Meer over Ludwig Pesch

Opdrachtgevers

Oor_spel

Publicaties: worldcat.org

Recensies

Yehudi Menuhin over interculturele relaties en synthese

De muziek van onze tijd volgt deze wetten niet meer. Maar ook vroeger voelden meester componisten zich maar zelden aan vaste regels gebonden.

Yehudi Menuhin in Unfinished Journey (London, 1978)

[ … ] Er is vast geen betere plek dan Israël om de onderlinge relaties tussen oosterse en westerse culturen te verkennen. Want daar komen drie krachtige stromingen bij elkaar: etnische groepen afkomstig uit Afrika, Azië en Europa. Ze geven een indruk van complexiteit en aantrekkingskracht, het resultaat van een wisselwerking tussen verschillende modellen. Daarom is dit boek meer dan een wetenschappelijk document, even actueel als boeiend, gebaseerd op eigen ervaring.

Europa heeft zijn wilskracht bijgedragen, en het vermogen om veel te synthetiseren wat zijn oorsprong in Azië heeft: van Mongolië in het noorden tot India in het zuiden, vervolgens in Hongarije verenigd in de muziek van de Magyaren en zigeuners [Sinti en Roma].1

[…] De opgave van onze tijd is een genuanceerd beeld van de onderlinge relaties door gebruik te maken van het vermogen waarover alle volkeren en culturen beschikken, namelijk de kracht om te geven en te nemen, van elkaar te leren; want we zullen elkaar altijd nodig hebben. Het vergt wel enige nederigheid om het best mogelijke te bereiken – en het ergste te voorkomen – in tijden van toenemende afhankelijkheid van elkaar. – Yehudi Menuhin (Londen, januari 1977)2

Vrij vertaald uit: Musik zwischen Orient und Okzident: Eine Kulturgeschichte der Wechselbeziehungen von Peter Gradenwitz S. 390-392 | Details: http://www.worldcat.org/oclc/1046379134

  1. Toelichting voor de niet langer gebruikelijke, want denigrerende term “zigeuner” en de behoefte aan nuance, die pas na de publicatie van dit boek in 1977 tot verandering heeft geleid (hier vrij vertaald zoals volgt):

    Wederzijdse muzikale beïnvloeding suggereert een bepaalde harmonische richting, die in strijd zou zijn met de strikte wetten van de harmonieleer: een soepele en melodieuze combinatie van zelfstandige stemmen (contrapunt).

    “Zigeuner is een stereotiep woord, alleen gebruikt door de meerderheid, maar wordt door de minderheid als discriminerend afgewezen; want deze minderheden noemden zichzelf altijd Sinti en Roma. Dankzij de Duitse burgerrechtenbeweging vanaf de eind jaren zeventig werd een bewustzijn gecreëerd wat vooroordelen en uitsluitingsmechanismen betreft die met het woord “zigeuner” verbonden zijn. [ … ] De termen Sinti en Roma zijn geenszins “politiek correcte” uitvindingen van de burgerrechtenbeweging maar al in documenten uit de 18e eeuw aantoonbaar. [ … ] Dus het woord zigeuner zegt meer over de fantasieën, angsten en verlangens van degenen die het gebruiken dan over het leven van de Sinti en Roma.

    Meer informatie zie: https://zentralrat.sintiundroma.de/sinti-und-roma-zigeuner/
    (Duitse en Engelse bronnen)
    In Nederland ontbreekt het tot nu toe blijkbaar aan een gezamenlijk standpunt over belangenbehartiging van de verschillende gemeenschappen:
    https://www.verwey-jonker.nl/wp-content/uploads/2020/10/318020_Verkennend-onderzoek-naar-centrale-Roma-Sinti_WEB.pdf
    []

  2. “Humility is a quality often associated with self-deprecation. But by championing our achievements while also acknowledging our weaknesses, we could see benefits in many areas of our lives – and even increase our attractiveness.” – Introduction BBC podcast All in theMind (accessed 1 November 2023) []

Freedom expressed by Rie Cramer: Illustrations for Rabindranath Tagore’s “The Post Office”

By the time of Tagore’s 1920 visit to the Netherlands, his favourite play Dakghar had been translated into English and Dutch as The Post Office 1 and De brief van den koning, in 1912 and 1916 respectively.2 This play won international acclaim and was soon staged in other countries and different languages. Its theme became even more relevant in the context of peaceful resistance in the face of despotism:

Dakghar is one of many works, including several plays, wherein “Tagore uses the notion of freedom to decry narrow nationalistic boundaries, governed by myopic ambition and greed […] which bring out different facets of his broader abstraction of freedom.”3

In 1920 the very purpose of his lecture tour was to promote education on an ever more ambitious scale, one unheard of in modern history as regards any private citizen’s initiative: to build an institution called “Viswa Bharati”. Unlike any institution Tagore knew first hand – including London University College in his youth, and later Oxford University as guest speaker – its mandate was (and remains) this: to foster a free exchange of knowledge systems that, in his view, belong to all of mankind. Similar ideas have since evolved in many places, be they inspired by Tagore as in Dartington Hall4 or otherwise (think of the Wikipedia foundation and demands by scientists, that they be allowed to freely share their research findings rather than seeing them subject to profit oriented patent laws).

So the very name “Viswa Bharati denotes Tagore’s hopes for the success of his most ambitious project, namely to find supporters that would guide its evolution into nothing short of a World University; and at the same time adhere to its uniquely poetic motto: “Where the world makes a home in a single nest”.5

More specifically, the university’s mission statement reiterates Tagore’s vision: “Visva-Bharati represents India where she has her wealth of mind which is for all. Visva-Bharati acknowledges India’s obligation to offer to others the hospitality of her best culture and India’s right to accept from others their best.”6

This context for the 1920 lecture-cum-fundraising tour poses the question what Tagore may have regarded as “best” for the institutions he built and inspired, in terms of knowledge, experience and ethical standards worth sharing and defending, while questioning any assumption in the critical spirit required by academic institutions.

The answer cannot be found without considering his conviction that good education integrates many disciplines and domains; informally for young children, then with proper instruction by trained teachers7 – all this without losing sight of that we now associate with “lifelong education”:

“A most important truth, which we are apt to forget, is that a teacher can never truly teach unless he is still learning himself. A lamp can never light another lamp unless it continues to burn its own flame.”8

While dealing with practical and funding issues he never tired to remind his listeners and readers of shared values that needed to be inculcated from an early age even in the face of class-based peer pressure: as part of a learning process that does sideline scientific nor overlook personal differences. Beyond the struggle to end injustice, he saw the need for constructive, persistent and peaceful struggles to establish and protect civil liberties and human rights for all world citizens, locally just as internationally:

“When our self is illuminated with the light of love, then the negative aspect of its separateness with others loses its finality, and then our relationship with others is no longer that of competition and conflict, but of sympathy and co-operation.”9

A Dutch press report highlights Tagore’s “silver voice” that conveyed his profound admiration for the songs of Bengal’s village mystics, besides the deep and lasting impression his personality left on listeners who attended his lectures in large numbers.10

He spoke as a private citizen among peers, not as delegate on behalf of any institution or group, and that in a large venue built as meeting ground for a “Free Congregation” (Vrije Gemeente). Like many of us today he had reasons to be alarmed by the policies adopted by the growing trend of nation states to “legitimize” the oppression of large sections of their own populations – not merely “minorities” or “immigrants” – more often than not as to justify self-interested aggression against other states. Then as now this has caused famines, disease and mutual suspicion among populations of different faiths that previously coexisted peacefully be it as states with shared interests like natural resources, trade, or as neighbours whose mutual reliance prevailed over the ideological and theological considerations now used to “divide and rule”.

In Tagore’s younger days this had already resulted in violent confrontations, so for him these were major issues long before and after his 1920 lecture tour. His unwillingness to be coopted by the elite – and thereby to remain a mere onlooker, even beneficiary – when something needed to be done to prevent even greater suffering – is evident from writings that include the lectures first published in 1916 under the title Nationalism.

Given the challenges to human rights even to the world’s largest democracies – in the very year when we should celebrate the foundation of the United Nations 75 years ago, on the ruins of World War II – Tagore’s warnings are worth pondering again:

“And the idea of the Nation is one of the most powerful anaesthetics that man has invented. Under the influence of its fumes the whole people can carry out its systematic programme of the most virulent self-seeking without being in the least aware of its moral perversion – in fact it can feel dangerously resentful if it is pointed out.11

Similar sentiments fuel demands by concerned citizens, to remove monuments of former “national heroes”.12

Going by the difficult choices he faced both in the public and private spheres, “freedom” was more than an ideal or abstract concept for Rabindranath Tagore. As member of the land owning zamindar class he had reminded his son that their privilege was inherited and depended on the exploitation and further marginalization of rural communities under their control. This sounds all too familiar in the context of current debates on “meritocracy” vs. “inherent wealth”. We should hardly be surprised given the frank admission by global trading agencies that profitability for many follows the assumption that there may be “no trade without war, no war without trade.”13

Tagore’s irrepressible sense of freedom in the personal sphere is evident from many of the poems he hand collected and translated for the benefit of foreign friends (whose enthusiasm led to his nomination for the 1913 Nobel Prize for Literature), soon published under the title Gitanjali; and even more explicitly in a letter written a few years later, addressed to his friend, the poetess Victoria Ocampo whom he had sought to honour by using her name in the Sanskrit equivalent “Vijaya”:

“Whenever there is the least sign of the nest becoming a jealous rival of the sky [,] my mind, like a migrant bird, tries to take … flight to a distant shore.” 14

Seen in the light of the above, like the successful Dutch staging and illustrated publication of his favourite play “The Post Office”, it hardly surprises that his passionate appeals for greater cooperation caused a sensation. This shows the value ascribed to the range of topics he covered during the 1920 lecture tour. Yet Tagore chose to inaugurate this tour with a talk titled “Some village mystics of Bengal”, on 23 September 1920 in the monumental “free congregation” hall into the prime venue for popular music when the City of Amsterdam bought it in the 1960s, since then known all over the world by its new name Paradiso. This choice can hardly be understood without taking the sister institution for Viswa Bharati into account, the centre for rural reconstruction named “Sriniketan” which is yet to acquire the status he hoped for, and reflected in songs wherein he expresses gratitude for everything he received and learned from local people.

“Tagores bezoek maakte diepe indruk en bracht in Nederland een ware rage teweeg.”15

What Are Human Rights?
“Human rights are rights inherent to all human beings, regardless of race, sex, nationality, ethnicity, language, religion, or any other status. Human rights include the right to life and liberty, freedom from slavery and torture, freedom of opinion and expression, the right to work and education, and many more. Everyone is entitled to these rights, without discrimination.” 
Learn more : Human rights | United Nations >>

  1. For its continuing relevance and a synopsis see https://en.m.wikipedia.org/wiki/The_Post_Office_(play) []
  2. The six colour plates displayed here are sized 10 by 10 cm in the Utrecht edition. The were created by Rie Cramer (1887-1977), a Dutch writer and prolific illustrator of children’s literature. To help fugitives she joined the resistance against nazi occupation in the 1940s and published anti-German verses in Het Parool, “the largest underground resistance newspaper in the Netherlands”.
    https://en.wikipedia.org/wiki/Rie_Cramer []
  3. Bhaswati Ghosh in “Freedom in Tagore’s Plays — an essay”, Parabaas Rabindranath Section:
    https://www.parabaas.com/rabindranath/articles/pBhaswati.html []
  4. Schumacher College, the International Centre for Ecological Studies regarded as “the legacy of the Elmhirts who travelled to India and were deeply influenced by the poet and philosopher Rabindranath Tagore. ‘In the 1920’s the Elmhirsts had the same concerns as we have today – quality of life, the purpose of existence and the values which transcend mere material prosperity.'” – David Nicholson-Lord in “An Earth Academy”
    https://www.schumachercollege.org.uk/learning-resources/an-earth-academy []
  5. English translation of Viswa Bharati University’s motto, Sanskrit Yatra Visvam Bhavatyekanidam
    https://en.wikipedia.org/wiki/Visva-Bharati_University []
  6. Official website http://visvabharati.ac.in/index.html []
  7. The international headquarters of Montessori Education AMI has a letter addressed to Dr. Maria Montessori requesting her guidance prompted by their personal meeting in New York. []
  8. Visva-Bharati and its institutions–Santiniketan 1961, p. 28 []
  9. Tagore in his foreword to S. Radhakrishnan’s The Philosophy of Upanishads quoted by Bhaswati Ghosh
    https://www.parabaas.com/rabindranath/articles/pBhaswati.html []
  10. “‘Met zilveren stemgeluid leest dr. Tagore de rede, die hij te voren op papier heeft gebracht. Hij vertelt van de dorpsmystici ginds in Bengalen, van mannen en vrouwen wier godsdienst het Hindoeïsme is en die in religieuze devotie het dagelijksche gebeuren rondom hen vertolken in liederen van zeldzame bekoring.’ Tagores bezoek maakte diepe indruk en bracht in Nederland een ware rage teweeg.
    https://www.amsterdam.nl/stadsarchief/stukken/immigranten/tagore-amsterdam/ []
  11. p. 63 in the 2010 paperback edition of Nationalism
    https://www.worldcat.org/title/nationalism/oclc/1099200491 []
  12. Here in the Netherlands also those associated with the slave trade and genocide, e.g. in a recent article titled “Slavernij en wreedheid bezoedelen Hollandse helden” by Sander van Walsum (de Volkskrant, 16 June 2020)
    https://www.volkskrant.nl/nieuws-achtergrond/slavernij-en-wreedheid-bezoedelen-hollandse-helden~bfb02762/ []
  13. Careers in the Dutch VOC trading corporation were certainly not hindered by proclamations by its overseas representatives, as illustrated by the motto flaunted by a particularly notorious 17th century overseas administrator (and national “hero” until quite recently), Jan Pieterszoon Coen who regarded war and trade as inseparable: “No trade without war, no war without trade”; quoted in a book review of Koloniale oorlogen in Indonesië. Vijf eeuwen verzet tegen vreemde overheersing by Piet Hagen: “Jan Pieterszoon Coen vatte dat handzaam samen in zijn devies: ‘Geen handel zonder oorlog en geen oorlog zonder handel.’” (Co Welgraven in Trouw, 24 juni 2018)
    https://www.trouw.nl/nieuws/piet-hagen-schreef-een-indrukwekkend-boek-over-de-koloniale-geschiedenis-van-indonesie~ba1798b9/ []
  14. Rabindranath Tagore quoted by Amartya Sen in The Argumentative Indian (London 2005), p. 103 []
  15. Website of the Amsterdam city archive, “the largest – and many say the most beautiful – city archive in the world.” (post updated 18 September 2020)
    https://www.amsterdam.nl/stadsarchief/stukken/immigranten/tagore-amsterdam []

De bamboe dwarsfluit

Tekst: Ludwig Pesch

Art Arun VC

Mythes, afbeeldingen en een uit de Indiase oudheid overgeleverde verhandeling over het muziektheater geven een indruk hoe geliefd de fluit was. Zo weten we dat ze al lang als een volwaardig muziekinstrument werd ingezet. Naar gelang de streek wordt ze anders aangeduid, bijvoorbeeld als kuzhal in het Tamil (spreek uit als “kulal” of “kural”); en als bansuri in Noord-India. In gedichten, liederen, dans en film komen ook benamingen voor als venu en murali, waarmee gelijk wordt verwezen naar Krishna, de herder en fluitspeler “met de donkere huid”.

De vroege Tamil en Sanskrit dichtkunst beschrijft het ontstaan van de eerste fluit, zonder toedoen van de mens: doordat zwarte hommels hun nesten bouwen in bamboebossen laten ze gaten achter in de stengels. Die gaten komen in grootte overeen met de blaas- en vingeropeningen van de huidige bamboe dwarsfluit. De wind zorgt dan voor het laten klinken van natuurlijke tonen. Ook het melodieuze gezang van vogels in al zijn nuances vormt een inspiratiebron voor de nauw met de natuur verbonden mens. Dit alles bevordert een muzikale symbiose die op veel plaatsen steeds opnieuw ontstaat.

Het verrast daarom niet dat Pannalal Ghosh, de pionier van de Hindoestaanse fluitmuziek, in zijn jeugd werd beïnvloed door tribale musici van het noord-oostelijke Santal-volk.

Bij Rabindranath Tagore (1861-1941), die te midden van Santal-dorpen zijn wereldberoemde school Santiniketan stichtte, komen we het ‘Oneindige Wezen’ tegen als fluitspeler: de ‘muziek van de schoonheid en de liefde’ lokt ons weg uit onze egocentrische beperking.1

“Voor velen kom ik over als dom en onhandig. Soms beschouw ik me als een fluit die niet kan praten maar zingt dankzij je adem”.2

Hier plaatst zich de dichter, pedagoog en invloedrijke geleerde in een lange traditie, die barrières van taal en godsdienst weet te slechten dankzij de muziek. Zo laat Tagore ons de rol van de bamboefluit voelen als het meest ‘democratische’ van alle muziekinstrumenten.

*

Ludwig Pesch specialiseerde zich op de Zuid-Indiase bamboe dwarsfluit, toen hij studeerde bij Ramachandra Shastry aan de Kalakshetra kunstacademie in Chennai. Samen met zijn leraar gaf hij concerten bij talrijke gelegenheden.

In samenwerking met twee universiteiten ontwikkelde hij e-learning cursussen (carnaticstudent.org). Voor muziekliefhebbers en docenten heeft hij een handboek geschreven, The Oxford Illustrated Companion to South Indian Classical Music. Voor het Concertgebouw Amsterdam heeft hij teksten bijgedragen naar aanleiding van het India Festival in Amsterdam in 2008 (b.v. “Wat is een raga” gepubliceerd in Preludium).

Hij ontwikkelt programma’s waardoor elementen uit de Indiase muziek voor iedereen toegankelijk worden – voor elke leeftijdsgroep, zowel met als zonder muzikale ervaring.

  1. Bron: ‘Meine Erinnerungen an Einstein’ (1931) in Das Goldene Boot, Winkler Weltliteratur, Blaue Reihe, 2005 []
  2. “Very often I think and feel that I am like a flute – the flute that cannot talk but when the breath is upon it, can sing” schreef Rabindranath Tagore uit London aan zijn vertaler, de Nederlandse schrijver Frederik van Eeden, London op 9 augustus 1913 []

Wat is een raga?

door Joep Bor* en Ludwig Pesch

‘Die specifieke combinatie van tonen en melodische bewegingen, of dat unieke melodische geluid waardoor men in vervoering wordt gebracht, is volgens experts raga.’ Deze korte maar krachtige definitie van raga staat in de Brihaddeshi of Grote Volksmuziektradities van Matanga. Hij benadrukt dat talloze raga’s hun oorsprong in de volksmuziek (deshi) hadden. 

Raga is het belangrijkste en tevens het meest complexe begrip in de Indiase muziek. Niemand weet hoeveel raga’s er bestaan. Ook vroeger wist men dat niet. Er waren toen al zoveel raga’s in omloop die moeilijk van elkaar te onderscheiden waren, dat volgens Nanyadeva (1097-1147) zelfs ‘grote raga-geleerden zoals Matanga en zijn opvolgers, niet de raga-oceaan zijn overgestoken.’ 

Geschat wordt dat er tegenwoordig zowel in het noorden als zuiden van India zo’n tweehonderd bekende raga’s zijn, waarvan er ongeveer vijftig zeer regelmatig uitgevoerd worden. Daarnaast bestaan er duizenden zeldzame en verouderde varianten.

Kleur

Het woord raga is afgeleid van ranj, wat betekent ergens door ‘gekleurd’ of ‘ontroerd’ worden. Raga’s worden al genoemd in de oudste Indiase verhandeling over theater, muziek en dans – de Natyashastra van Bharata. Maar in de Indiase oudheid verwezen raga’s naar de specifieke emoties die een modus (jati) kon oproepen. In vele opzichten waren de jati’s de voorlopers van de raga’s.

Wanneer deze modi door raga’s vervangen werden is onbekend. Wel duidelijk is dat de muziek aan het eind van het eerste millennium een metamorfose had ondergaan. Er werd toen een onderscheid gemaakt tussen de oude, rituele muziek (marga) en de levende, regionale muziek (deshi). Raga’s waren de melodische fundamenten van de levende muziek, en zijn dat nog steeds. 

‘Raga kleurt de geest’, zei Matanga. De unieke ‘sound’ van een raga geeft dus een specifiek gevoel. Sterker nog, raga’s kunnen mensen tot extase brengen, waardoor zij hun dagelijkse beslommeringen even vergeten en in contact komen met een diepe emotie. 

Hoewel iedere raga een bepaalde gemoedstoestand oproept, zijn de verschillende stemmingen die door raga’s worden gecreëerd moeilijk onder woorden te brengen. ‘Je moet ze zelf ervaren’, zei Nanyadeva. Inderdaad, door vaak naar verschillende raga’s te luisteren, herken je zowel hun emotionele als muzikale Gestalt. En door een raga uit te voeren, geeft de musicus deze ‘vorm’ en brengt hij hem als het ware ‘tot leven’.

Voor sommige artiesten gaat dit zo ver dat de raga zich openbaart of manifesteert. Minder spirituele musici beschouwen een raga echter als een melodische raamwerk waarbinnen zij kunnen componeren en improviseren.

Classificatie

Raga’s werden al in een vroeg stadium geassocieerd met een bepaalde kleur, godheid, planeet, seizoen en tijd van de dag. Vervolgens werden ze in korte contemplatieve gedichten (dhyana’s) als goddelijke of menselijke figuren verbeeld. Op die manier ontstond het idee dat iedere raga een eigen persoonlijkheid heeft. 

Bhairavi werd bijvoorbeeld beschreven als een mooie, intelligente jonge vrouw die god Shiva vereert ‘in een kristallen tempeltje bij het meer, met liederen die door het ritme van bekkentjes worden geaccentueerd.’ 

Ondanks het feit dat het moeilijk is om het begrip raga te definiëren, is er de laatste duizend jaar uitvoerig over de classificatie van raga’s en het verschil tussen de ene en de andere raga geschreven. Er zijn voortdurend nieuwe raga-systemen ontwikkeld, omdat raga’s niet statisch zijn en musici die steeds weer anders interpreteren. 

Tussen 1500 en 1900 waren de raga-ragini systemen het meest populair onder Noord Indiase musici. Hierin hadden zes ‘mannelijke’ raga’s ieder vijf of zes ‘vrouwen’ – ragini’s – en soms ook een aantal ‘zonen’. De poëtische beschrijvingen van raga’s en ragini’s werden ook in reeksen miniatuurschilderingen afgebeeld. Deze ragamala’s (letterlijk: raga-snoeren) waren een geliefd thema in de schilderkunst en er zijn vele tientallen van dergelijke albums bewaard gebleven. 

Toonladders

In het zuiden van India was men minder poëtisch wat de beschrijving van raga’s betreft en werden ze vanaf de zestiende eeuw op basis van hun toonmateriaal geclassificeerd. Uit allerlei combinaties van de zeven hele en vijf halve tonen werden toonladders geconstrueerd.

Het meest uitgebreide systeem van toonladders (mela’s) werd in 1620 door Venkatamakhi ontwikkeld. 

Aangezien niemand in het noorden meer begreep wat het muzikale verband tussen een raga en zijn ragini’s was, begonnen musici daar in de achttiende eeuw de Zuid Indiase classificatie op basis van toonladders te adopteren. Ook de invloedrijke musicoloog Vishnu Narayan Bhatkhande (1860-1936) was hierdoor beïnvloed. In zijn systeem worden alle raga’s ondergebracht in tien toonladders (thaats). 

Als Bhatkhande een biologisch werk had gelezen, dan zou hij zich gerealiseerd hebben hoe inconsistent en simplistisch zijn classificatiesysteem was: legio raga’s kunnen er namelijk niet in ondergebracht worden. Maar Bhatkhande was een pragmaticus en hij gebruikte de thaats omdat deze door sitarspelers werden gebruikt. Hij verzamelde duizenden composities in honderden raga’s en publiceerde deze in zijn zesdelige Kramik Pustak Malika, dat nog steeds als een standaardwerk geldt. Hierdoor is zijn classificatie ook nu nog de meest gangbare in het noorden.

Eigenschappen

Iedere raga is – evenals de oude Indiase modi – zelf een verzameling van zowel traditionele als populaire melodieën. Die duizenden liederen en instrumentale composities in een raga hebben een aantal eigenschappen met elkaar gemeen en drukken een bepaald muzikaal idee uit. In feite is een raga dus een melodische soort, maar in de Engelstalige literatuur wordt meestal de term melodic type gebruikt. 

Wat zijn de muzikale eigenschappen (lakshana’s) van een raga, waardoor deze zich van andere raga’s onderscheidt? In de eerste plaats is dat het toonmateriaal. De meeste raga’s hebben tussen de vijf en acht tonen. Maar hier moet meteen opgemerkt worden dat legio raga’s identiek toonmateriaal hebben. Een raga is dus veel ingewikkelder dan een toonladder.

Belangrijker dan de toonladder is de volgorde van de tonen, d.w.z. de manier waarop deze in stijgende en dalende lijn worden gebruikt. Dit is de eenvoudigste manier om een raga weer te geven. In veel raga’s worden in de stijgende reeks één of meer tonen weggelaten, en in sommige raga’s worden de tonen op een zigzag manier gebruikt. 

In de Noord Indiase raga Desh bijvoorbeeld worden E en A weggelaten in de stijgende reeks (C D F G B C’) terwijl in de dalende reeks (C’ Bb A G F E D C) alle zeven tonen worden gebruikt. Daarbij komt nog dat B in de dalende lijn verlaagd is.

Even belangrijk is de functie van de tonen. Iedere raga heeft één of twee dominante tonen die steeds weer herhaald en benadrukt worden, en tonen waarop improvisaties beginnen of eindigen. Zwakke tonen worden weliswaar minder gebruikt en nooit benadrukt, maar zijn daarom niet minder belangrijk. 

Daarnaast speelt ornamentatie een essentiële rol. De manier waarop tonen versierd worden is kenmerkend voor een raga. Er worden dan ook talloze typen versieringen (gamaka’s) in de muziekliteratuur beschreven. Opmerkelijk daarbij is dat de ruimte tussen te tonen vaak belangrijker is dan de noten zelf.

Tenslotte worden raga’s gekenmerkt door een aantal specifieke melodische bewegingen, waardoor men de raga onmiddellijk kan herkennen. Zo keert in raga Desh de frase D F G F E D steeds weer terug, waarbij de laatste drie noten nadrukkelijk met elkaar worden verbonden.

Bron: PRELUDIUM: maandblad voor liefhebbers van klassieke muziek, Concertgebouw Amsterdam (uitgave ter gelegenheid van het India Festival in november 2008)

*Joep Bor is de auteur van The Raga Guide, en Ludwig Pesch van The Oxford Illustrated Companion to South Indian Classical Music.